‘Mijn Hema’ door Cor Netten

Mijn Hema is een sociaal ontmoetingspunt! Dat durf ik rustig te stellen. Soms ontstaan er spontane contacten met andere bezoekers. Dit is er een van.

“Hebt u de pompoensoep al geproefd, meneer? Die is heel lekker, hoor.”

De kleine frêle vrouw die mij zo vrijmoedig aansprak aan het buffet van het Hema-restaurant, keek met kleine samengeknepen oogjes door een klein brilletje naar mij op. We waren op dat moment de enige twee klanten bij het buffet en stonden dicht bij elkaar. Ze was goedgekleed, ’not overdone’, om zo te zeggen, en om haar mondhoeken speelde een quasi Mona Lisa-achtige glimlach. We stonden met ons tweetjes te wachten tot de Hema-medewerkster tijd voor ons had. “Nee,” zei ik, “ik houd het bij koffie, dat volstaat.” De vrouw was echter niet stil te krijgen en trakteerde mij breedvoerig op de inhoud van haar eigen pompoenensoeprecept.

Soms heb ik dat in mijn Hema. Mij onbekende personen beginnen dan onverwachts een gesprek met mij. De start van het gesprek is meestal iets onbenulligs. Dat kan de drukte zijn in het restaurant, de in de vitrine uitgestalde producten, de prijzen, Hema-acties, maar nooit het weer. Kijk ik te zonnig? Zie ik eruit als een publieke praatpaal? Niet dat ik dit soort gesprekken erg vind, oh nee, ik vind ze meestal wel vermakelijk. Vaak leveren ze ook stof voor een kort artikeltje. Soms trakteer ik mij in de ochtend op een Hema-ontbijtje voor slechts 2 euro. Naast een bordje met daarop een broodje met omelet, een croissant, een kuipje jam, krijg ik ook een kop koffie, plus gratis conversatie voor die prijs. Elke ochtend tussen negen uur en tien uur is het Hema-restaurant druk bezet met veel vaste en een aantal gelegenheidsbezoekers. Het is het contactuurtje voor veel Heerenveense inwoners. Zo ook die ochtend dat ik daar aan een tafeltje zat.

De restaurantbezetting bestond uit een doorsnee van de Heerenveense bewoners. Minder goed geklede bezoekers – net te goed voor het Leger Des Heils – zaten naast goed geklede bezoekers. Naast mij aan het tafeltje zat een ouder echtpaar. Hij, een forse man met veel buikvet, verpakt in een mondaine outfit. Hij droeg een kleurige broek, wit overhemd, compleet met lefdasje en een truitje fraai gedrapeerd om de schouders. Zijn al kalende kruin was met wit haar omzoomd. Zijn gezicht had een ontevreden uitdrukking. Hij zuchtte opvallend, gevolgd door een ongegeneerde volle gaap. Hij zat hier kennelijk niet voor zijn plezier. Maar ja, het moest van haar. Zij was een goed gekleed, sterk verouderd exemplaar van een hockeymeisje. Door zijn kleine brilletje zag ik hem enkele malen naar haar kijken, terwijl zij een krantje las. Af en toe maakte zij een opmerking tegen hem, waarna hij enkele malen zijn gaap achter zijn hand probeerde te verbergen. Ging het hier om een terechtwijzing?

Na enige tijd begon hij mee te lezen in de opengeslagen krant, terwijl hij af en toe de omgeving in zich op nam. Toen onze blikken elkaar kruisten knikte hij minzaam en keek aan mij voorbij. Er naderde een medewerkster die vrije tafeltjes begon schoon te maken. Hij knipte met zijn vingers en wenkte het meisje naar zich toe en vroeg of hij bediend kon worden. Kennelijk was hij niet helemaal op de hoogte van het concept zelfbediening, waar het meisje hem dan ook op correcte toon over informeerde en ging verder met haar werk. De man verstijfde als een geopaliseerd stuk hout. Zijn vrouw maakte enkele opmerkingen tegen hem, waardoor hij weer tot leven kwam en naar het buffet liep. Verbaasd keek hij naar de prijzen van de uitgestalde artikelen, pakte een dienblad en begon deze met meerdere ontbijtbordjes vol te laden. Bij de kassa gekomen haalde hij twee euro’s uit zijn broekzak en legde deze op de toonbank. De kassamedewerkster keek verbaasd naar zijn dienblad, zijn euro’s en naar hem, maar deed niets, alsof zij dacht dat ze in de maling werd genomen. Ik zag de man een opmerking maken, waar het meisje met een geringschattende blik op reageerde. Snel keek de man om zich heen en haalde nog enkele euro’s uit zijn zak. Met een blik van hovaardige deemoed ging hij terug naar zijn plaats. Zijn vrouw keek verbaasd naar het aantal ontbijtbordjes en hoorde zijn verhaal over de kosten aan.

Ik genoot, ik beken het eerlijk. Zijn beeld van een ontbijt was kennelijk anders dan die van de meeste aanwezigen. Ik was getuige van een kleine cultuurschok. Ze waren beiden ‘so out of place,’ dat ik haast medelijden met ze kreeg. Toen ik kort daarna mijn dienblad opborg in een van de opbergrekken en mij weer omdraaide, waren beiden al vertrokken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *