Mijn grens

Ik zie hem wel kijken met die kleine priemende ogen van hem. De schoft!

Ik zie ook een weifelende blik in die rot ogen van hem, alsof hij in zijn herinneringen zoekt naar herkenning. Nou, ik herinner mij die klootzak nog wel! Ik stop met het eten van mijn uitsmijter en leg vork en mes neer.

Lang geleden werd hij mijn pleegvader omdat mijn ouders niet met mij om konden gaan. Tenminste, dat zeiden die liefdeloze hufters tegen dat wijf van Pleegzorg. De waarheid was dat ze niet konden hebben dat ik als vijftienjarige een eigen mening had en ik in die tijd besefte dat zij niets anders voor mij betekenden dan het bieden van tijdelijk onderdak, eten en mijn was doen. Ik verdiende als AH-hulp zelf geld en vond dat ik het recht had om dat naar eigen ideeën te besteden. Zij dachten daar anders over. Vonden dat ik huishoudgeld moest betalen. De ruzies waren in die tijd niet van de lucht. En Pa gebruikte steeds vaker zijn toch al te losse handjes. Natuurlijk wilde ik daar wel weg, maar vindt als vijftienjarige maar eens fatsoenlijk onderdak. Voor het eerste gesprek met dat wijf van Pleegzorg zorgde ik voor de nodige striemen en krassen op mijn armen en vertelde haar dat mijn Pa mij mishandelde. Nou, ze was snel genoeg overtuigd, toen mijn Pa agressief reageerde op die beschuldiging.

Vijftien jaar geleden werd ik door Pleegzorg bij de mij aangewezen pleegouders afgeleverd. Ach, wat waren ze begripvol. Ze accepteerden mijn mening. Ja, met haar sprak ik zelfs over allerlei zaken die mij dwars zaten, de onzekerheid over mijn lijf en die te grote borsten. Ze vond het jammer voor mij dat ik mijn school niet had afgemaakt, maar prees het feit dat ik zelf een baantje had gezocht. Toen overleed ze! Aan borstkanker! Zo onterecht! Het voelde alsof ik mijn houvast kwijt was. Ik raakte geestelijk uit balans. Dat beetje houvast en waardering die ik van haar had gekregen, raakte ik kwijt. Het was allemaal zo oneerlijk. Ik was kwaad op iedereen. Sloot mij meestal op in mijn kamer of ging naar de jeugdsoos in de buurt. De wiet bracht dan wat verlichting. Mijn pleegvader kon met de nieuwe situatie niet goed omgaan. Probeerde zelf zijn verdriet te verwerken. Ik kon hem niet helpen. Ik had genoeg aan mijn eigen sores. Dit sukkelde zo een paar jaar door en daarna kwam hij steeds begripvoller naar mij toe. We konden zelfs af en toe wel samen op de bank zitten en naar een of ander lullig tv-programma kijken. Dan spraken we over haar, hij nippend aan een glaasje jenever, ik aan mijn cola. Maar na enkele weken en meer glaasjes jenever begon hij akelig te praten over hoe hij haar miste en toch ook zijn behoeften had. Ik voelde mij steeds ongemakkelijker en begon hem te mijden. Toen hij voor het eerst op ‘n avond aan mijn afgesloten slaapkamerdeur begon te morrelen, schreeuwde ik dat hij weg moest gaan. Half smekend om open te doen droop hij mopperend af. Ik sliep steeds onrustiger, lag vaak lang wakker, luisterend of ik zijn voetstappen hoorde. Op een avond forceerde hij mij deur, kwam naar mijn bed en trok de dekens weg. Wat kon ik anders doen dan schreeuwen? Hij legde zijn grote hand over mijn mond en begon aan mijn slipje te trekken. Ik voelde mij machteloos en verkrampte helemaal. De pijn na afloop was niet alleen in mijn kruis, maar ook in mijn hoofd. Ik walgde van mezelf, voelde me besmet en wilde niet verder leven. Ik was aangetast met verrotting die mijn lichaam steeds meer afbrak. Ik kreeg uitslag die ik tot bloedens toe met een mesje probeerde weg te krabben.

En nu, na jarenlange behandeling in psychiatrisch ziekenhuis Safe Heaven, word ik opnieuw met hem geconfronteerd. Alle herinneringen aan die verschrikkelijke nacht komen weer terug. En dat wil ik niet! Opnieuw is daar de grens! Ik pak mijn tafelmes en verberg het in mijn mouw. Langzaam loop ik zijn richting uit. Hij kijkt star voor zich uit. Terwijl ik achter hem langs loop, haal ik snel het mes tevoorschijn en snij zijn keel door!

Na mijn daad leg ik het mes op tafel en wacht af, terwijl ik met voldoening toekijk hoe het bloed uit zijn hals golft en ik langzaam het licht bij hem uit zie gaan. Dan word ik door mensen vastgegrepen in afwachting van de komst van de politie. Met gillende sirenes, die mij terugbrengen naar de jaarlijkse feestachtige kermis, heb ik even later een paar knellende handboeien om en word ik achter in een politiewagen geduwd. Ik laat het gelaten over mij heen komen. Ik voel mij van een zware psychische last bevrijd en ik weet nu al dat ze mij toch ontoerekeningsvatbaar gaan vinden en dat ik terug mag naar Safe Heaven, mijn laatste grens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *