De dode ogen van Petra

Nee, dit wordt geen verhaal over een verloren liefde of een onbereikbaar idool.

Geen Dante-verhaal die zijn verloren liefde Beatrice uit de onderwereld wil halen, maar, net zoals de vrouw van Lot, strandt op die eeuwige vrouwelijke nieuwsgierigheid.

Het gaat ook niet over die onbereikbare liefde die je idealiseerde, maar niet durfde te benaderen omdat je bang was voor een beleefde, maar toch geringschattende afwijzing.

Nee, het gaat over een historische plek in Jordanië, een verloren stad, diep verzonken in de rotsen. Petra is een Necropool, een dodenstad met veel graftombes, maar ook met woningen, paleizen, kerken en openbare gebouwen.

De weg er naar toe loopt over kale en soms half begroeide heuvels en door zo’n typisch Arabisch rommelig dorpje met slordig gebouwde of onafgebouwde huizen. Er is een kleine kruidenierswinkel waar ik snel wat flesjes koud water koop, voordat ik bij het Petra Diamond Hotel binnenstap.

Door lage heuvels, via een lange goed gebaande toegangsweg, met aan weerszijden hol ogende, in de rotsen uitgehouwen gebouwen, kom ik bij de toeristische toegang tot het complex. Van daaruit loopt de weg geleidelijk naar beneden en worden de omringende rotsformaties steeds hoger. Ik voel mij nietig worden.

Langzaam beginnen de rotsen om mij heen ook van kleur te veranderen: van grauw grijs naar in lagen opgebouwd rood-bruin-geel gekleurd gesteente. In gedachten denk ik terug aan de film ‘Indiana Jones and the Last Crusader’ en zie in mijn fantasie een groep ruiters door deze nauwe bochtige kloof rijden naar de uit rode rots gehouwen façade van de zg. Schatkamer. Ik loop gestaag door en weet intussen wat mij te wachten staat.

Dan stap ik vanuit de nauwe kloof, als bij een bevalling, het grote plein voor de Schatkamer op. Ik sta overweldigd te kijken naar het filmisch decor van de Schatkamer. Het voelt alsof ik vanuit de moderne tijd bijna terug ben in de oudheid. Bijna, want rondom staan kraampjes en terrasjes. Er liggen kamelen en ezels te wachten op de toeristen. Ook bij deze tempel is een uitvoerig toeristenpakket in de aanbieding: goedkope ezelritten, kraampjes met tapijten en prullaria, thee, zilverwerk, koelkastmagneten, antieke munten, frisdrank en dat alles voor een ‘for me special price’.

Voor een van de in de rotsen uitgehouwde gebouwen staat een politieagent in bruine Bedoeïen klederdracht met een rood geblokte doek om zijn hoofd, die onvermijdelijk de gedachte aan de theedoek thuis bij mij oproept. In de brede riem om zijn middel zie ik een traditionele, prachtig bewerkte dolk, gestoken in een fraai gedecoreerde schede.

Urenlang dwaal ik door deze antieke necropolis, beklim trappen die eeuwen geleden zijn uitgehouwen, naar imposante gebouwen en voel dat de dode ogen van de stad mij bij elke stap volgen. Duizenden slaven hebben zich op deze rotsen letterlijk en figuurlijk dood gehakt met primitieve middelen.

Ik eindig op het hoogste punt in deze omgeving, waarop in eenzame trots de Jordaanse vlag wappert. De beklemming en historische betovering wordt hier doorbroken en ik ben weer terug in de dagelijkse werkelijkheid en besef: ik moet dat hele eind in de hitte ook weer terug naar beneden en naar de uitgang.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *